26 Tanzania deel 1

7 januari t/m 28 januari 2008
Oversteek naar magisch Zanzibar

Truien aan en onder de dekens slapen

In de stromende regen komen we aan bij de Tanzaniaanse grens, het bliksemt en dondert en we zijn zo’n beetje de enige passanten. De formaliteiten zijn aan beide posten vlot en snel geregeld. We moeten helaas alweer flink wat wegenbelasting betalen omdat we een buitenlandse vrachtwagen zijn. Ook gewone buitenlandse auto’s moeten in Tanzania wegenbelasting betalen, dus dat maakt het voor ons dit keer wat minder zuur. Voor de komende vier maanden, tot en met Soedan, kopen we een verplichte WA-verzekering voor de auto. Niet dat het veel waard is maar het kan wellicht een hoop schelen bij politiecontroles.

Net na de grens vinden we iets voorbij Tukuyo, tussen de thee- en bananenplantages een kleine nieuwe camping, Bongo. De camping is pas opgezet door Casper, een Deense jongen die hier voor een paar jaar is als vrijwilliger en hier getrouwd is. Met de camping wil hij proberen wat geld te genereren om de lokale gemeenschap te helpen. Of het ooit een succes zal worden betwijfelen we maar het enthousiasme is er in ieder geval wel. We worden voorgesteld aan zijn vrouw, haar kind en nog een paar voor ons onduidelijke familieleden. Ze zijn erg blij met onze komst, want veel gasten zijn er nog niet geweest. We zitten op zo’n 1500 meter hoogte in de bergen en dat betekent weer truien aan en onder de dekens slapen. Ook wel weer eens lekker.

Het is niet meer echt Afrika

De volgende ochtend bekijken we een vlakbij gelegen theeplantage, nemen afscheid van iedereen en rijden via een pas van 2300 meter hoogte naar Mbeya. De weg is heel mooi met mooie uitzichten maar ook met talloze politiecontroles. Een paar keer moeten we alle papieren laten zien en ondergaan we twee keer een soort mini-APK-keuring waarbij onder andere de werking van de verlichting, ruitenwissers en erg belangrijk in Afrika: de claxon, wordt gecontroleerd. Alles is gelukkig in orde en we mogen verder rijden. In Mbeya halen we geld uit de muur, kopen een telefoonkaart en tanken vol. Via prachtige landschappen rijden we rustig verder naar het Ngwasi Forest Reserve. Het is niet meer echt Afrika. Uitgestrekte geurende dennenbossen, een graadje of twintig, een meer en wat zandpaadjes. Aan de rand van het Ngwasi Lake vinden we een mooi plekje, met uitzicht! Net de Belgische Ardennen, alleen die uitgeholde boomstammen met Afrikaanse vissers kloppen niet helemaal. Heerlijk om weer eens eenzaam en alleen in het wild te staan.

Eerste kennismaking met de Masai

Na een uitgebreid ontbijt op ons ‘plateau’ rijden we pas laat de volgende morgen verder richting Iringa. Onderweg bezoeken we, in de stromende regen nog Isimila, een kloof waar in het Stenen Tijdperk al mensen leefden. Het is één van de belangrijkste vindplaatsen voor stenen werktuigen in Tanzania. Aan de rand van het Udzunwa Mountain NP vinden we een prachtige camping (Baobab Valley). We zijn aangenaam verrast over het landschap, het is hier kurkdroog! We blijken opeens in een heel ander klimaatgebied beland te zijn. Het heeft hier nog maar nauwelijks geregend, de grond is zanderig en stoffig, de lucht is helder en blauw en er groeien inderdaad weer Baobabs. Ook zien we hier voor het eerst Masai rondlopen. Een bekende nomadenstam uit Oost Afrika. We ontmoeten op de camping twee Duitse koppels die op weg zijn naar Malawi. Als we vertellen dat het verderop zoveel regent en alles nat is kunnen ze ons nauwelijks geloven. Ze zijn al twee maanden in Tanzania en hebben nog geen drup regen gehad. Van hen krijgen we nog een nuttige tip voor een nieuwe, door Duitsers gerunde camping aan de kust.

De volgende dag rijden we door het Mikumi National Park. De hoofdweg gaat transit dwars door het park en het is werkelijk frappant dat als je het bord gepasseerd hebt dat je in het park bent je ogenblikkelijk giraffen, olifanten, zebra’s, apen, etc. ziet. Halverwege gaan we nog even bij een lodge in het park een colaatje drinken. Eigenlijk moet je dan entreegeld betalen maar als je bij het hek verteld dat je alleen maar gaat lunchen bij de lodge dan mag je gratis twee uurtjes het park in. Wij drinken er alleen maar een colaatje en hebben nog een grappige ontmoeting met een Zweedse televisiemaakster. Omdat we zo’n beetje door onze voorraden heen zijn rijden we naar Morogoro om naar een kleine Indiase supermarkt en de lokale groente- en fruitmarkt te gaan. Het is inmiddels al aardig laat geworden en we besluiten Dar Es Salaam, de hoofdstad van Tanzania, maar over te slaan en vanaf Chalinze meteen de hoofdweg naar het noorden te nemen.

Overnachten bij de Masai

Er zijn hier alleen geen campings en vlak langs de weg staan is geen optie. Het is echt een gevaarlijke weg met ontelbare ‘racebussen’ zoals de kinderen ze noemen. Plankgas racen deze bussen over het asfalt en halen ons zelfs in de meest onoverzichtelijke bochten gewoon in. Een paar keer moeten we vol in de ankers gaan om een inhalende, ons tegemoetkomende bus ruimte te geven. Ook als we op een zijweg rijden valt het niet mee om een rustig overnachtingsplekje te vinden. Uiteindelijk vinden we klein open stuk waar we op kunnen rijden. Het blijkt pal naast een Masai dorpje te zijn. We worden meteen uitgenodigd om de auto midden in de piepkleine kraal te parkeren wat we dan maar doen. Ondanks dat we bijna geen woord kunnen wisselen met deze mensen hebben we een fantastische tijd. Het zijn heel vriendelijke goedlachse mensen die nog heel dicht bij de natuur leven en duidelijk nog zelden of nooit met toeristen te maken hebben gehad. Ze wonen in heel eenvoudige lemen hutten tussen hun koeien en geiten. Wij zijn voor hen net zo’n attractie als zij voor ons. De kinderen spelen met elkaar en als het al een tijdje donker is gaan zij naar hun kookvuurtjes en trekken wij ons terug in onze hut op wielen. De volgende ochtend moet ik met de mannen de kuddes gaan bekijken en worden Jacobine en de kinderen uitgenodigd in een hut. Jacobine geeft medische adviezen aan een oude vrouw met een oogontsteking en aan een jongen die zijn arm heeft gebroken maar zo’n jeuk had onder het gips (dat er in een kliniekje op was gezet) dat ze zelf het gips er maar af gehaald hebben en het nu op de traditionele manier met paar stukjes bamboe gespalkt hebben. Al met al een hele belevenis die we niet snel zullen vergeten. Nadat we afscheid genomen hebben rijden we terug naar de hoofdweg om verder naar het noorden te rijden. In het dorpje Kabuku slaan we rechtsaf een klein weggetje in. Deze kortere route naar de kust ten zuiden van Pangani staat heel onduidelijk op onze kaart en al helemaal niet op onze GPS-kaart. Het blijkt inderdaad een erg smal klein, steil en ruig weggetje te zijn maar wel heel erg leuk.

Terug bij de Indische oceaan

Gelukkig is het droog geweest de laatste dagen anders zou het erg glibberig geweest zijn. Via kleine dorpjes, een natuurgebied, enorme sisalplantages en zelfs dwars over een militaire kazerne rijden we in een paar uur naar de kust. Van de Duitse stellen van eergisterenavond hebben we de GPS coördinaten van het Beachcrab Resort gekregen en met wat gevraag en gezoek komen we daar aan het eind van de middag aan. Het blijkt een vrij nieuwe lodge/camping te zijn gerund door Sonja en Alex, een Duits stel. Ze zijn nog aan het bouwen en de camping is nog niet af maar we kunnen op een mooi plekje parkeren, onder de kokospalmen, pal aan het strand. Er is nog een Duitse jongen, Myrko, die ze helpt met het bouwen van de laatste Banda. Na lange tijd zijn wij eindelijk weer eens aan een mooi strand aan zee, tijd om een beetje te uit te rusten wat schoolwerk en allerlei klusjes te doen.

Paniek door Blue bottle kwal

De dagen daarna vliegen voorbij: ’s morgens school doen, ’s middags zwemmen, een wandelingetje maken of bijvoorbeeld spelen met Bobby, de hond. Bij zonsondergang een biertje drinken in het restaurant met uitzicht over de Indische Oceaan en dan eten koken op ons voor twee euro aangeschafte nieuwe houtskoolfornuisje van gerecycled blik. Janne heeft de eerste dag de pech dat ze tijdens het zwemmen verstrikt raakt in een blue-bottle- kwal. Een gemeen diertje met één meterslange drijvende tentakel dat een soort pijnlijke brandblaren achterlaat gillen en paniek natuurlijk.  De blaren natmaken met urine is het enige dat een beetje helpt. En slapen. Nog maanden zou het duren voordat de littekens op haar middel en armen helemaal zouden verdwijnen.

Naar Zanzibar zonder Kasa

Na vijf nachten verlaten we voor het eerst Kasa. We laten haar achter bij de Beachcrab en gaan ’s morgens vroeg met een klein bootje, een houten dhow, naar Zanzibar. De kapitein, Wahidi genaamd, brengt ons naar het noordelijkste puntje van Zanzibar, zo’n drieënhalf uur varen.  Het is gelukkig rustig weer, we hebben een redelijk rustige overtocht. Wahidi heeft ananassen meegenomen en geeft aan de kinderen een paar mangrovepitten. Als je die opensnijdt valt deze in een stuk of tien stukjes uit elkaar en krijg je een leuke puzzel. De hele tocht hangt er een vislijn achter de boot maar helaas vangen we niets.  Er staat echter wel flink wat deining en we zijn best opgelucht als weer vaste grond onder onze voeten hebben. Door het prachtige heldere water waden we met onze rugzakken naar het prachtige witte koraalstrand.

Zanzibar town, voormalige hoofdstad van Oman

We lopen meteen door naar Kwenda Rocks, een bekend backpackershotel, waar we een taxi bestellen om ons naar Zanzibar-stad te brengen. Onze taxichauffeur, Mohammed, brengt ons naar het centrum van de stad, ook wel Stonetown genoemd. Het is een uurtje rijden door een mooi groen en nat landschap, vol met kleine dorpjes, plantages en bossen. Het heeft hier de afgelopen dagen flink geregend, maar nu is het gelukkig weer wat droger. Als we in Stonetown aankomen is het net of we weer in Noord Afrika zijn. Een druk Arabisch getint chaotisch stadje met een wirwar van steegjes, winkels, markten. De bevolking is hier duidelijk strenger islamitisch dan op het vaste land. Bijna alle meisjes en vrouwen dragen hoofddoekjes. Swahili, de officiële taal van Tanzania komt uit deze kuststreek en werd destijds gebruikt als Afrikaans-Arabische handelstaal. Nu wordt het tot ver in de Afrikaanse binnenlanden nog steeds gesproken en gebruikt als Lingua Franca. Het is ook een vrij eenvoudige taal en de kinderen leren al heel snel wat woordjes. Blanken worden hier Mzungu’s genoemd, wat zoiets als ‘witte’ betekent. We worden vaak met dat woord toegeroepen, wat toch een beetje raar klinkt. Het zou in Nederland toch raar klinken als we mensen als zwarte, rode of gele aanroepen.

Na wat gezoek checken we in bij het Flamingo guesthouse. We slapen met zijn allen op een kleine eenvoudige kamer met vijf bedjes. Na een kleine siësta gaan we door het stadje wandelen, drinken een sundowner bij het Africa House en eten een eenvoudige curry bij de ‘Passing Show’. Zanzibar is van oudsher het belangrijkste doorvoerpunt aan de oostkust van Afrika geweest van slaven en specerijen en daar rijk mee geworden. De sultan van Oman had hier zelfs zijn hoofdstad. Nu is het vooral afhankelijk van toerisme. De eilandbewoners zijn een mengeling van afrikanen en Arabieren en voelen zich niet echt bij Tanzania horen. Al jaren willen ze onafhankelijk worden en ze hebben momenteel ook een soort status aparte met een eigen vlag en parlement.

De volgende dag gaan we met een zogenaamde ‘spice-tour’ mee om de specerijen van het eiland te bekijken en proeven. Een min of meer verplicht toeristisch nummer als je Zanzibar bezoekt. We zien onder andere hoe kruidnagel (het belangrijkste exportproduct), kaneel, nootmuskaat, vanille, foelie, saffraan, peper en vele soorten noten en vruchten groeien. Na een heerlijke lunch worden we nog meegenomen naar een oud badhuis van de Sultan en een grote grot waar hij zijn slaven verstopte nadat de Engelsen de slavenhandel hadden verboden.

Update situatie Kenya

Inmiddels is de situatie in Kenia er niet veel beter op geworden. Er zijn na de verkiezingen van een maand geleden bijna duizend doden gevallen en honderdduizenden mensen zijn uit hun huizen verjaagd en op de vlucht geslagen. Hun huizen zijn verbrand. Op zich is de situatie momenteel redelijk rustig maar we vinden het niet leuk om opa Piet en oma Rietje, die over een paar weken naar Kenia zouden vliegen, daar te ontvangen. We vragen hen om hun tickets naar Nairobi om te boeken naar Arusha of Dar Es Salam. Dat gaat gelukkig heel snel en gemakkelijk en al na een paar dagen krijgen we bericht dat ze over tien dagen naar Arusha vliegen! Uiteraard leuk nieuws, vooral voor de kinderen, dat opa en oma al zo snel komen.

Strandvakantie in een reis

De dagen daarna brengen we door aan de oostkust van Zanzibar, in het dorpje Bwejuu. We zijn daar ooit eerder zonder kinderen geweest maar de sfeer is nu heel anders dan vijftien jaar geleden. Het toerisme heeft zich verplaatst naar andere stranden, vooral aan de noordkust waar makkelijker gedoken en gesnorkeld kan worden. Bwejuu is weer een slaperig vissersdorpje geworden waar de vrouwen bij eb zeewier oogsten. Het guesthouse waar we vijftien jaar geleden verbleven is helemaal vervallen en gesloten voor toeristen. We hoorden later omdat het een broeinest van islamitische fundamentalisten was geworden, of dat waar is betwijfel ik, maar goed, het is een verhaal. Wij vinden onderdak bij de ‘Seven Seas’ een zeer eenvoudig guesthouse waar we de enige gasten zijn. Dat heeft weer als voordeel dat er goed over de prijs te onderhandelen valt. We krijgen twee grote kamers in één huisje aan het strand. De manager/kok/barman/tuinman/schoonmaker verzorgt elke morgen een lekker ontbijtje en kookt voor ons ’s avonds rijst met vis of krab met kokossaus. Na de afwas gaat hij naar huis.  Een nachtwaker is hier niet nodig. Overdag spelen de kinderen uren en uren in het mooie witte zand, maken zandkastelen en safariparken. Stijn oefent al dagen de radslag en dat gaat al steeds beter.

We hebben een paar heerlijke dagen in Zanzibar gehad, lekker luieren, wandelen, heerlijk eten en geen school. Het voelde echt als een soort vakantie binnen onze reis. Het klinkt misschien gek maar reizen voelt voor ons niet als vakantie aan.

Terug op het vasteland

Ook de terugreis verloopt voorspoedig. Samen met Cockie, een Nederlandse vrouw, die we eerder in het Flamingo guesthouse hadden ontmoet reizen we met kapitein Wahidi terug naar het vasteland. Sonja, Alex, Myrko en Bobby staan ons op te wachten op het strand. Ook Kasa staat trouw op ons te wachten en we zijn heel blij weer om ’s avonds weer in onze eigen bedjes te slapen.

De dagen daarna is het voor de kinderen weer hard werken, school doen. We hebben nog een gezamenlijk project. Van een paar stukken bamboe, die Stijn en Janne op het strand hebben gevonden bouwen we met wat ijzerdraad en dergelijke een windmolen voor op het strand. Geen grote maar hij draait heel goed. We zijn er erg trots op.

Tijdelijk afscheid van de Beachcrab

Na drie nachten nemen we afscheid van iedereen met de belofte weer terug te komen. Het is echt een heel relaxed plekje. Ditmaal rijden we naar het noorden en moeten de pont over de rivier de Pangani nemen. Deze pont is regelmatig kapot en ook de afgelopen dagen heeft hij niet gevaren. We hadden echter gehoord dat hij gerepareerd was en met hoog water weer zou gaan varen. We kwamen precies met hoog water aan meer maar de pont lag nog steeds werkloos aan de overkant. Alle passagiers werden met kleine dhows overgezet maar daar passen wij uiteraard niet op. Er staan nog een paar vrachtwagen(tje)s die hier al een paar dagen staan te wachten. Van de overkant, uit de richting van de pont, klinken grote hamerslagen, staal op staal. De typische manier waarmee in Afrika alles gerepareerd wordt. Niemand weet wanneer hij weer gaat varen. Net als we besloten hebben om maar weer terug naar de Beachcrab te gaan komt er plotseling beweging in het geval. Eén van de twee motoren hebben ze aan de praat gekregen en de laadplank, die kapot was, doet het blijkbaar weer. Het is al bijna donker als we uiteindelijk overgezet worden, een paar kwade vrachtwagenchauffeurs achterlatend, omdat we mochten voordringen. In het donker rijden we naar Peponi, een camping van een oude Engelsman, iets van dertig kilometer verderop.

Reis nar Arusha, rendez-vous onder de Kilimanjaro

De volgende dag rijden we naar de havenstad Tanga waar we uitgebreid boodschappen doen op de markt en een Libanese supermarkt. We waren inmiddels aardig door onze voorraden heen. Daarna gaan we echt op weg en rijden naar het westen richting Arusha. We slapen een nachtje bij de mooie Pengani River Campsite. Het landschap is inmiddels weer totaal veranderd. We zitten weer op de droge savannes met de hoge bergen van de Usambara vlakbij.

Als we de volgende dag vlak voor Moshi, met uitzicht op de Kilimanjaro, ergens langs de kant van de weg lunchen horen we opeens iemand toeteren en voor onze auto stoppen. Grote verassing: het zijn Ian en Jacqueline, met hun mooie landrover, die we al in Marokko, Burkina Faso en Zuid Afrika zijn tegengekomen. Het is een gezellig maar kort weerzien want zij willen snel door naar Lake Natron omdat ze over een paar dagen alweer terug willen zijn in Dar Es Salaam. Vanwege de toestanden in Kenia en hun problemen om in Tanzania een visum voor Soedan te krijgen hebben ze besloten de auto maar te verschepen naar Muscat, Oman en vanaf daar naar huis te rijden. We wensen elkaar een goede reis toe en wie weet tot ergens in Turkije of zo.

Wij hoeven minder ver vandaag en rijden rustig verder naar Arusha. We parkeren de auto bij de Masai Campsite. Wat vroeger een bekende overlanders-camping was is nu een lokale eettent/disco.  Dat eerste vinden we niet zo erg, we eten er heerlijk maar het tweede is wel een probleem. Het is toevallig net zaterdag en tot vijf uur ’s morgens mogen we in onze bedjes mee dreunen op keiharde discomuziek. Gelukkig is de disco alleen op vrijdag en zaterdag en de volgende twee dagen staan we er vrij rustig en kunnen wat schoolwerk doen, de auto smeren en nog wat boodschapjes doen.

Alle foto's op een rijtje:

160